Kun je iets over je afkomst vertellen?
'Onze familie hoort bij de Mandingastam. Mijn ouders waren arme boeren in
Abéné. We woonden in een grote familiegroep. Er was weinig geld maar het veld
leverde genoeg op om van te leven. De sociale interactie was sterk. Helaas is
dat nu aan het slijten. Het was best een hard leven maar ik heb het heel
positief ervaren.' Lamine Diabang in zijn rol als voorzitter.
Welke opleiding heb je gehad?
'Ik wilde heel graag naar school. Mijn vriendje ging al. Mijn vader vond het
destijds niet echt belangrijk maar ik kreeg gelukkig toestemming. Ik moest 4 km
lopen om naar school te gaan. De sfeer op school was niet goed. Er was een
angstcultuur. Als je een fout maakte, kreeg je slaag. Veel kinderen bleven
daarom liever thuis. Ik deed erg mijn best en ik mocht later naar het
vervolgonderwijs in Bignona, 70 km ver, en woonde als jongen van 10 in bij een
vreemde familie. Daarna kon ik naar de het Lycee in de hoofdstad Ziguinchor en
haalde daar mijn BSC. Dat gaf me basis voor een universitaire studie literatuur
in Dakar met de bedoeling om het onderwijs in te gaan. Door problemen, o.a door
de dood van mijn vader, kon ik mijn Masters niet afmaken en ik ging terug naar
Abéné.'
En toen?
'Terug in mijn dorp heb ik heel bewust nagedacht over mijn toekomst en heb toen
besloten om te blijven. Dat had te maken met mijn verantwoordelijkheid voor mijn
familie maar ook met mijn motivatie om iets voor deze kleine gemeenschap te
willen betekenen. Ik ben daarom altijd heel actief voor het dorp geweest. Van
deze beslissing heb ik geen spijt. Soms kijk ik wel eens met wat bijgedachten
naar studievrienden die een hele carrière hebben gemaakt.'
Zijn je leefomstandigheden veranderd?
'Er kwam een mogelijkheid om een huis te bouwen voor mijn familie en ik ben
getrouwd. Mijn bruid was gekozen door mijn moeder. Ik ben nu het hoofd van de
familie die hier op dit erf woont. In totaal 15 mensen: vrouw, 3 eigen kinderen,
moeder en de gezinnen van mijn [gescheiden] zuster en mijn broer. Ik heb een
veld en een groentetuin. Het inkomen dat ik heb, is grotendeels bestemd voor een
goede opleiding van mijn kinderen. Ik voel dit als een zware
verantwoordelijkheid.'
Hoe is de werkverdeling?
'Het werk tussen mannen en vrouwen in onze cultuur is strak verdeeld. Ook
financieel zijn de zaken gescheiden. De mannen doen de grondbewerking, zijn
verantwoordelijk voor de familie en nemen de beslissingen. De vrouwen doen het
plantwerk, de verzorging van de gewassen, de oogst en de verzorging van het
gezin.' 2 Lamine en de kinderen uit zijn familie en de bijna complete familie
Zouden de vrouwen meer betrokken moeten worden in de projecten? Zeker wel. Ze
hebben zich ook wel goed georganiseerd maar ze willen vaak niet in de besturen
zitten.
Hoe ervaar je de samenwerking met Agro Casa?
'Ik zie een duidelijke wil bij Agro Casa om ons te helpen en om de problemen die
er zijn op te lossen. Speerpunten in de samenwerking zijn luisteren, niet
haasten, verdiepen in de traditie, onderkennen dat heel veel mensen in Abéné
maar weinig opleiding hebben. Het is een lang proces. De meeste projecten kennen
problemen bij de implementatie. De mensen van Agro Casa moeten niet ontmoedigd
raken als het langzaam gaat.'
Wat zie je als een bedreiging?
'Heel veel jongeren leven op straat, vooral jongens. De meesten hebben wel
lagere school en sommigen ook een vervolgopleiding. Maar er is weinig werk. Ik
ben daarom erg blij met de 2-jarige tuinbouwopleiding maar vind het heel jammer
dat zich niet meer jongens hebben aangemeld. We zouden nog iets moeten bedenken
dat het voor jongens aantrekkelijker wordt. Meisjes redden zich meestal wel.'
Abéné, 15 november 2009 Peter Visser |